KC25-007
Uitspraak onafhankelijke klachtencommissie Wvggz Gelderland Midden en Zuid
| Inzake: | XX |
| Instelling: | Pompestichting |
| Klachtnummer: | KC25-007 |
| Datum ontvangst klacht: | 07 februari 2025 |
| Schorsingsverzoek: | gehonoreerd |
| Datum hoorzitting: | 17 februari 2025 |
| Datum beschikking: | 21 februari 2025 |
Aanwezig bij de hoorzitting
XX (klager)
XX (PVP)
XX, verpleegkundige in opleiding tot specialist (verweerder A)
XX, GZ-psycholoog (verweerder B)
XX, psychiater
XX (voorzitter, jurist)
XX (psychiater)
XX (algemeen lid)
Ingediende klacht
Klager is het niet eens met toediening van depotmedicatie als onderdeel van de verplichte zorg.
Bevoegdheid klachtencommissie
Klager heeft een klacht ingediend over een situatie als bedoeld in artikel 10:3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). De klachtencommissie is op grond van artikel 10:1 lid 2 Wvggz bevoegd om uitspraak over deze klacht te doen.
Procesverloop
De klachtencommissie heeft op 07 februari 2025 een klachtenformulier ontvangen inzake verplichte zorg. Op 08 februari 2025 zijn partijen geïnformeerd over de behandeling van de klacht en uitgenodigd voor een hoorzitting. Klager heeft toestemming gegeven voor inzage in zijn medisch dossier. Op 13 februari 2025 heeft de commissie het verweer ontvangen en aan partijen doen toekomen.
De hoorzitting heeft door middel van videoconference plaatsgevonden op 17 februari 2025. Partijen hebben tijdens de zitting hun standpunt toegelicht. De voorzitter deel mede dat dezelfde dag een verkorte uitspraak naar partijen wordt gezonden. Uiterlijk 21 februari 2025 wordt de gemotiveerde uitspraak per mail naar klager, PVP en verweerders gezonden.
De klachtencommissie heeft met toestemming van klager inzage gehad in de volgende stukken:
– Verweerschrift;
– Beslissing verlenen verplichte zorg, dd. 14-10-2024;
– Behandelplan, d.d. 18-09-2024 en 17-12-2024;
– Medicatielijst;
– Medische verklaring, d.d. 03-09-2024;
– Zorgmachtiging, d.d. 18-09-2024;
– Informatiebrief over de zorgmachtiging, d.d. 15-10-2024;
– Zorgkaart, d.d. 18-09-2024 en 10-02-2025;
– Zorgplan, d.d. 09-09-2024 en 06-02-2025;
– Bevindingen GD, d.d. 19-09-2024;
– Medisch
– Decursus 11-09-2024 t/m 11-02-2025;
– Rapportages 20-09-2024 t/m 11-02-2-25.
Feiten
Klager is een XX-jarige man bekend met schizofrenie spectrum stoornis, stoornis in het middelengebruik (in remissie), ongespecificeerde huisvestings- of economische problemen en problemen verband houdend met justitiële maatregelen.
Bij beschikking van de rechtbank is op 18 september 2024 een zorgmachtiging afgegeven met een expiratiedatum van 18 maart 2025.
Verslag van de hoorzitting
De voorzitter opent de vergadering en licht de procedure toe. Alle partijen stellen zich voor.
Standpunt van klager
Klager licht ter zitting doe dat vorige week mondeling aan hem is meegedeeld dat behandelaren de orale medicatie willen omzetten naar depot. Klager wil dat niet. Het gaat goed met hem en hij neemt de orale medicatie best goed in. Soms vergeet hij het weleens, maar meestal gaat het goed.
PVP vult aan dat klager de kans wil krijgen om te bewijzen dat hij ambulant de medicatie trouw kan innemen. Klager is bereid om bloed te laten afnemen en mee te werken aan andere dingen die moeten. Hij zegt toe op afspraken te komen. PVP verzoekt rekening te houden met de wensen en voorkeuren van klager. Klager wil daar graag over in overleg.
Standpunt verweerder
Verweerder A licht de visie van behandelaren toe. Vanaf opname wordt geprobeerd vanuit samenwerking te kijken hoe klager na ontslag weer een zo normaal mogelijk leven kan leiden. Klager blijft echter volharden in zijn standpunt dat hij geen medicatie nodig heeft. Hij vindt dat hij zichzelf sterk kan houden met zijn eigen mind, ondersteund door zijn geloof. Er is veel geïnvesteerd in gesprekken met klager in de hoop dat het ziektebesef en ziekte-inzicht zou toenemen en klager zou inzien dat een psychose iets is dat medicamenteus behandeld moet worden, naast de structuur die het geloof aan klager biedt. Na de opname is gestart met orale medicatie. Klager heeft hierbij echter veel ondersteuning nodig. De verpleging moet de medicatie aan klager uitreiken. Hij neemt hierin niet zelf initiatief. Bij toeval werd tijdens een behandelplanbespreking ontdekt dat klager gestopt was met de inname van de medicatie. Wel signaleerden behandelaren dat klager meer last had van emoties. Vanaf dat moment moest klager de medicatie onder toezicht innemen en werden er spiegelbepalingen gedaan. Verweerder A stelt dat bloedspiegelbepaling in de ambulante setting niet haalbaar is. Al tijdens de opname komt klager zijn afspraken niet na. Ze moet klager ‘s middags nog voor een afspraak uit zijn bed halen. Ze verwacht dat dit thuis niet anders gaat zijn. De belasting zou dan te groot zijn als klager twee keer per week bloed moet laten prikken voor de bepaling van de bloedspiegel. Wekelijks zou klager dan een afspraak hebben bij het Factteam. Dat gaat hem niet zelfstandig lukken, vult zij aan. Verweerder A benoemt dat ze klager gunt om zo min mogelijk last te hebben van medicatie. Als hij ingesteld wordt op depot kan toegewerkt worden naar een depot per 6 maanden, aldus verweerder. Vanwege bijwerkingen van een eerder depot is gekozen voor paliperidon. Verweerders hopen dat dit depot met zo min mogelijk nadelen het ernstig nadeel zal afwenden.
Op een vraag van de PVP antwoordt verweerder A dat de vader van klager betrokken is bij de behandeling. Vader wil het beste voor zijn zoon en denkt mee. Verweerder A benoemt wel dat vader niet ingaat tegen de mening van zijn zoon, dus als klager de medicatie niet wil innemen zal vader dat niet kunnen bewerkstellingen.
Desgevraagd legt klager uit dat hij een paar keer is gestopt met inname van medicatie omdat het toen beter met hem ging. Hij kan zonder medicatie, stelt klager. Destijds had klager mentale problemen, vult hij aan, maar nu gaat het al maanden goed. Hij wil de medicatie afbouwen in overleg, niet in een keer stoppen. Klager vindt het op zich niet erg om medicijnen te slikken. Hij vertelt dat hij vrijwillig, zonder zorgmachtiging, is begonnen met inname van medicatie. Klager deed dit o.a. op aandringen van zijn vader. Zijn vader ondersteunde hem bij de inname van medicatie door klager er telefonisch aan te herinneren.
Na ontslag gaat klager weer bij zijn vader wonen dus die zou hem ook nu weer kunnen helpen, aldus klager.
Klager is het niet eens met de bewering dat het slechter met hem ging toen hij later stopte met medicatie. Hij benoemt dat hij het misschien wat zwaarder had, maar dat het niet slecht ging.
De commissie bevraagt klager op de situatie na de vorige opname waarbij het ambulante team moeilijk met hem in contact kwam. Klager antwoordt dat hij er geen baat bij had op dat moment. Hij was toen echt anti medicatie. Anders dan nu, aldus klager. Hij is niet tegen medicatie en heeft geen last van bijwerkingen. Hij heeft het alleen niet nodig. Klager heeft geen positieve effecten ervaren van de medicatie. Hij merkt geen verschil, dus ook niet dat hij minder angstig zou zijn of minder snel in conflict met anderen. Als behandelaren het perse willen accepteert klager de medicatie. Hij wil dan wel op termijn afbouwen. Hij is wel echt tegen spuiten. Hij heeft eerder depot gehad en voelde zich daar niet goed bij. Klager wil bewijzen dat het oraal ook goed gaat.
Tijdens de vragenronde geeft klager aan dat al jaren geen sprake meer is van drugsgebruik of lachgas.
Als ernstig nadeel benoemt verweerder A dat klager voor de vorige opname, in de winter, XX is gesprongen. Tijdens de opname was er sprake van psychotische ontregeling en suïcidale gedachten. Toen hij tijdens de huidige opname smokkelde met zijn medicatie was er ook sprake van meer conflicten, was zijn dag- en nachtritme ontregeld en trad er snel psychotische ontregeling op.
Verweerder A stelt dat klager niet veilig naar huis kan als hij niet ingesteld is op medicatie. Ze waren in gesprek met klager over het depot en hebben afgesproken het besluit over het afgelopen weekend heen te tillen om klager ruimte te geven erover na te denken. Die maandag heeft klager echter direct een klacht ingediend waardoor dit onderdeel van de verplichte zorg on hold kwam te staan. Verweerder A vult aan dat ze in de aanloop naar dit besluit overleg heeft gehad met de GD. Gezien het verloop was de depotmedicatie nog niet schriftelijk aangezegd.
Op de vraag of er nu wel of niet sprake is van verplichte zorg met betrekking tot de medicatie, antwoordt verweerder B dat dit tot op heden niet het geval is. Behandelaren hebben tot nu toe gekozen voor de vrijwillige samenwerking met klager. Binnen 2 weken kan klager op een maandelijks depot ingesteld zijn zodat hij met ontslag kan.
Klager zegt ter zitting dat die donderdag gezegd werd dat hij sowieso de medicatie zou krijgen, ook al hij het niet wilde. Er is daarbij gezegd dat hij daarover een klacht zou kunnen indienen bij de klachtencommissie, aldus klager.
PVP benoemt in de slotronde dat klager gemotiveerd is om te slikken en de wens op af te bouwen is normaal daarbij. Dit kan onderwerp van gesprek zijn en moet niet opgevat worden als een dreigement van klager.
BEVINDINGEN VAN DE COMMISSIE
Ontvankelijkheid klacht en bevoegdheid commissie
Op grond van artikel 10.3 van de Wvggz kan een klacht worden ingediend bij de klachtencommissie over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van de in dat artikel opgenomen bepalingen. De klachten zien op de uitvoering van de verplichte zorg en is gericht tegen de verplichte medicatie en opname zoals bedoeld in artikel 8:9 Wvggz en is ontvankelijk.
Gronden en overwegingen
Gelet op de ingebrachte stukken, de inhoud van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting komt de klachtcommissie tot de volgende overwegingen.
Artikel 8:9 Wvggz bepaalt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de (voortgezette) crisismaatregel en ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet neemt, dan nadat hij:
- zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,
- met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en
- voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur.
Allereerst en meer in het algemeen overweegt de commissie dat verplichte zorg bij psychiatrische patiënten een ernstige inbreuk is op hun persoonlijke levenssfeer en/of lichamelijke integriteit. Deze inbreuk dient dan ook met de nodige waarborgen omkleed te zijn. Daarom worden er zowel op juridisch als op medisch gebied eisen gesteld aan het mogen toepassen van verplichte zorg. Op juridisch gebied moet verplichte zorg voldoen aan de gronden van de Wvggz en aan vormvoorschriften zoals vastlegging van het zorgplan en het uitreiken van een voldoende gemotiveerde schriftelijke kennisgeving van de verplichte zorg.
Klager is XX-jarige man bekend met een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie en andere psychotische stoornissen, middelgerelateerde- en verslavingsstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn, waarbij de schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen voorliggend zijn.
Klager is verplicht opgenomen bij de XX in XX. Klager klaagt over zijn medicatie. In verband met nare bijwerkingen in het verleden wil klager geen depot. Klager ziet mogelijkheden om zijn medicatie vrijwillig oraal in te nemen.
Verweerder geeft aan dat klager een langdurige voorgeschiedenis heeft met psychotische klachten, gedragsproblematiek en medicatieontrouw. Hij heeft een diagnose binnen het schizofreniespectrum, een stoornis in het gebruik van middelen en daarnaast nog verder te onderzoeken kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis. Zijn behandelgeschiedenis laat zien dat medicatieontrouw regelmatig heeft geleid tot ernstige psychotische ontregeling, met risico’s voor zowel zichzelf als zijn omgeving. Klager is in de winter ten tijde van een psychose een rivier in gesprongen, waardoor hij onderkoeld raakte. Tijdens opname heeft klager 3 a 4 weken lang gesmokkeld met medicatie en is hij zonder overleg gestopt. Pas na de invoering van strengere controlemaatregelen (zoals mondcontrole en labcontroles doormiddel van bloedspiegel bepaling) is hij weer vrijwillig zijn medicatie gaan innemen. Dit gedrag onderstreept dat er zonder externe controle en structuur geen vertrouwen is in vrijwillige orale medicatietrouw. Daarnaast heeft klager in gesprekken aangegeven weinig geloof te hechten aan medicatie. Hij beschouwt zijn psychische klachten als een spirituele kwestie en is van mening dat zijn geloof voldoende bescherming biedt tegen psychose. Ondanks meerdere pogingen om hem ziekte-inzicht en besef bij te brengen, is dit na maandenlange opname nog steeds niet aanwezig. Om klager voor te bereiden op zijn ontslag uit de kliniek is een opbouw voor het depot noodzakelijk, zodat klager in ambulante setting ingesteld is op een maandelijks depot.
Beoordeling van de commissie:
Uit de hoorzitting heeft de commissie vernomen dat op donderdag 06 februari 2025 mondeling aangegeven is aan klager dat verplichte medicatie ingezet gaat worden op maandag 10 februari 2025. Verweerder heeft aangegeven dat gepoogd is klager vrijwillig het depot te laten nemen en daarom nog geen schriftelijke 8.9 Wvggz brief is opgemaakt. Klager heeft aangegeven dat er wel degelijk is aangegeven dat hij verplicht is om depot medicatie te nemen per maandag 10 februari 2025. Hij heeft drang ervaren en daarom een klacht ingediend met een schorsingsverzoek. De klachtencommissie heeft deze schorsing toegekend in een schorsingsbesluit.
De commissie constateert dat er geen rechtsgeldige schriftelijke 8.9 brief is opgemaakt en uitgereikt ter zake van de medicatie. De behandelaar van klager is een verpleegkundig specialist in opleiding die onder supervisie werkt van de regiebehandelaar, een GZ psycholoog. Dit vereist volgens de Wvggz een toestemming van de Geneesheer Directeur alvorens verplichte medicatie ingezet mag worden. Deze toestemming ontbreekt eveneens.
De commissie volgt inhoudelijk de medische beslissing ter voorkoming van ernstig nadeel bij klager.
Naar het oordeel van de commissie is de grens van aandringen en overtuigen overschreden en is er sprake van dwang waarbij klager recht heeft gehad op een schriftelijk gemotiveerde beslissing conform artikel 8:9 Wvggz. De klacht zal om deze reden gegrond worden verklaard.
Verweerder voldoet niet aan de formele vereisten die de wet stelt aan het verlenen van verplichte zorg. De zogenaamde 8:9-brief was niet uitgereikt.
Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de klacht – ondanks dat deze inhoudelijk ongegrond is en klager dus terecht verplichte medicatie gaat ontvangen – procedureel gegrond moet worden verklaard omdat niet aan de wettelijke vereisten omtrent de verplichte zorg is voldaan.
Uitspraak
De klachtencommissie verklaart de klacht gericht tegen de verplichte medicatie (vanwege het niet voldoen aan formele vereisten) gegrond.
Aanbeveling:
De Commissie beveelt verweerder aan aandacht te besteden aan de noodzaak om tijdig aan cliënten een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg te doen uitreiken. Dit is essentieel om de rechtspositie van cliënten en een goede inhoudelijke klachtenprocedure te kunnen waarborgen.
Beroep
Klager, vertegenwoordiger of de zorgaanbieder kan door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de Rechtbank Gelderland beroep instellen ter verkrijging van een beslissing over de klacht. De termijn voor het indienen van een verzoekschrift bedraagt zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de betrokkene is meegedeeld.
Aldus besloten,
namens de Wvggz klachtencommissie,
i/o
XX
Voorzitter Wvggz klachtencommissie Gelderland Midden en Zuid
Datum: 21 februari 2025
Aantal bladzijden: 7
