Zoeken Zoeken
Menu
Verplichte medicatie

KC25-064

22 december 2025

Inzake                                     : [klager]

Instelling                                 : Pompestichting

Klachtnummer                         : KC25-064

Datum ontvangst klacht           : 08 december 2025

Schorsingsverzoek                   : n.v.t.

Datum hoorzitting                    : 17 december 2025

Datum beschikking                   : 22 december 2025

 

Aanwezig bij de hoorzitting

 

[XX] (klaagster)

 

[XX] verpleegkundig specialist en regiebehandelaar (verweerder A)

[XX] verpleegkundig specialist in opleiding en behandelaar (verweerder B)

 

[XX] (voorzitter, jurist)

[XX] (psychiater)

[XX] (algemeen lid)

 

Ingediende klacht

Klaagster is het niet eens met de depotmedicatie als onderdeel van de verplichte zorg.

Klaagster heeft toestemming gegeven voor inzage in haar medisch dossier voor de behandeling van haar klacht.

 

Bevoegdheid klachtencommissie

Klaagster heeft een klacht ingediend over een situatie als bedoeld in artikel 10:3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). De klachtencommissie is op grond van artikel 10:1 lid 2 Wvggz bevoegd om uitspraak over deze klacht te doen.

 

Procesverloop

De klachtencommissie heeft op 08 december 2025 een klachtenformulier ontvangen inzake verplichte zorg. Op 09 december zijn partijen geïnformeerd over de behandeling van de klacht en uitgenodigd voor een hoorzitting. Het verweer is op 12 december 2025 ontvangen en doorgestuurd naar partijen.

Partijen hebben tijdens de zitting hun standpunt toegelicht. De voorzitter deel mede dat partijen uiterlijk 22 december 2025 de gemotiveerde uitspraak tegemoet kunnen zien.

De klachtencommissie heeft met toestemming van klaagster inzage gehad in de volgende stukken:

  • Ingediende klacht;
  • Verweerschrift;
  • Beschikking zorgmachtiging Artikel 2.3, 1e lid, Wet forensische zorg jo. Artikel 6:5, aanhef en onderdeel a, Wvggz, d.d. 10-11-2025;

–     Beslissing verlenen verplichte zorg, d.d. 11-11-2025;

–     Schakelartikel, d.d. 11-11-2025;

–     Zorgplan, d.d. 20-10-2025;

–     Zorgkaart, d.d. 30-10-2025;

–     Behandelplan, d.d. 11-11-2025;

–     Medicatie overzicht;

–     Medische verklaring, d.d. 30-10-2025;

–     Reclasseringsadvies, d.d 07-11-2025 ;

–     Decursus, 11-11-2025 t/m 10-12-2025;

–     Rapportages verpleegkundigen, 11-11-2025 t/m 11-12-2025.

 

Feiten

Klaagster is een XX-jarige vrouw met een lange geschiedenis in de psychiatrie. Er zijn in het verleden verschillende diagnoses gesteld zoals DCD, ADHD, ASS, genderdysforie, een mogelijke schizofrene stoornis en DIS.

 

Verslag van de hoorzitting

De voorzitter opent de vergadering en licht de procedure toe. Alle partijen stellen zich voor.

 

Standpunt van klaagster

Klaagster licht toe dat ze op 11 november is opgenomen op de [XX]. Ze is in eerste instantie in isolatie geplaatst. Dat is onderdeel van een standaardprocedure, aldus klaagster. Daar is zij bezocht door een psychiater, [XX]. Hij heeft klaagster 5 minuten gesproken en vervolgens geconcludeerd dat er sprake was van een psychotische kwetsbaarheid waarvoor klaagster antipsychotische medicatie moest krijgen. Klaagster is daar zeer verbolgen over. De tijd was veel te kort om een diagnose te kunnen stellen, verklaart klaagster. Zij betreurt het dat [XX] niet bij de hoorzitting aanwezig is.

Klaagster vult aan dat er een zorgmachtiging is afgegeven voor de duur van 6 maanden waarin de rechter aangeeft dat antipsychotische medicatie gegeven mag worden indien dit noodzakelijk is. Er was op dat moment geen sprake van een dreigende situatie dus het was niet nodig. Klaagster was niet agressief, verklaart zij ter zitting. Daarom vindt ze dat onterecht gekozen is om door te gaan met depotmedicatie.

 

Standpunt van verweerders

Verweerder A verklaart dat klaagster overgekomen is vanuit het PPC. Ze was daar ingesteld op depotmedicatie (olanzapine) vanwege bizarre gedragingen in combinatie met agressie en agitatie. Psychiater [XX] heeft klaagster beoordeeld. Helaas is hij wegens ziekte niet aanwezig bij de hoorzitting, aldus verweerder A. Het volgende depot stond gepland voor 13 november. Vanwege de korte termijn na opname is besloten dit recept over te nemen. Ondertussen kunnen behandelaren klaagster dan leren kennen. Maandelijks vindt er een evaluatie plaats. In samenspraak met klaagster is informatie opgevraagd bij plekken waar klaagster eerder heeft verbleven om een goed beeld te krijgen van de diagnostiek. Er heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster om te bespreken of zij zou willen overstappen naar andere medicatie. Dat gesprek is helaas niet goed verlopen, stelt verweerder A. Klaagster werd zo geagiteerd dat ze zich fysiek afreageerde op materiele zaken. Verweerder voelde zich onveilig door het gedrag van klaagster en heeft alarm moeten maken. Twee dagen later heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden over de medicatie, vult verweerder A aan. Verweerder B benoemt dat de opgevraagde informatie nog niet binnen is. Daarom is de lopende behandeling gebaseerd op eerdere stukken van PPC en reclassering.

Tijdens de vragenronde stelt klaagster dat er grove leugens staan in haar dossier die klakkeloos overgenomen worden. Klaagster beaamt dat ze met regelmaat agressief is geweest, ook in het PPC. Ze vindt daarmee bewezen dat de antipsychotische medicatie dus niet werkt om agressie te voorkomen en kan dus niet accepteren dat het standaard wordt toegediend. Klaagster is het niet eens met verweerder A dat ze agressief geweest zou zijn tijdens het gesprek over medicatie. Ze verklaart dat ze hoog in haar emotie zat. Klaagster verdenkt enkele bewakers van het PPC ervan dat ze dingen in haar dossier hebben geschreven om klaagster daarmee te pesten.

De commissie heeft in het dossier van klaagster gelezen dat er sprake is geweest van vernielingen door klaagster. Ook verweerder A geeft aan recent een gesprek te hebben afgebroken met klaagster vanwege een onveilig gevoel tijdens dat gesprek. Klaagster stelt daar de 11e november nog helemaal geen sprake van was. Ze wordt juist zo agressief omdat depotmedicatie in beeld is. Depotmedicatie ervaart ze als erg heftig. Ze ervaart er bijwerkingen van in de vorm van vermoeidheid en een bult en een bloeduitstorting op haar bil. Ook voelt klaagster zich afgevlakt als gevolg van de medicatie. Als ze toch antipsychotica zou moeten krijgen dan kiest ze voor olanzapine. Ze heeft andere medicatie gehad met veel meer bijwerkingen. Ze kreeg toen een dikke tong en kon niet meer praten.

Op een vraag van de commissie antwoordt klaagster dat ze de uitspraak van de rechter over medicatie indien nodig, redelijk vindt. Ze interpreteert dit zo dat medicatie gegeven moet worden als klaagster zich agressief gedraagt en niet preventief zoals nu gebeurt. Klaagster vindt het feit dat ze door haar autisme stoornis agressief gedrag zou kunnen vertonen, geen rechtmatige grond voor toediening van depotmedicatie. Ze ervaart het als een heftige maatregel waarbij de autonomie over haar lichaam compleet verdwenen is. Klaagster wil baas over haar eigen lijf zijn. Klaagster vult aan dat ook in het verleden medicatie werd toegediend zonder dat er een diagnose was. Als voorbeeld noemt klaagster dat ze kattensnorhaartjes had gemaakt als make-up, hetgeen geïnterpreteerd werd als een psychiatrische stoornis.

De voorzitter bevraagt verweerders over de werking van de antipsychotica. Verweerder A stelt dat antipsychotica niet incidenteel gegeven kan worden. Zij interpreteert de opmerking van de rechter in de zorgmachtiging anders, namelijk dat medicatie toegestaan is als behandelaren dit noodzakelijk achten. Verweerder A verklaart dat klaagster momenteel 300 mg olanzapine toegediend krijgt eens per 2 weken. Inmiddels is er sprake van een ‘steady state’, aldus verweerder A. Klaagster laat op dit moment geen agressie, agitatie of bizar gedrag zien op de afdeling, aldus verweerder.

Klaagster wil graag de kans krijgen om te bewijzen dat ze zich ook goed kan gedragen zonder medicatie. Ze benoemt nogmaals dat je in 5 minuten niet kunt beoordelen of iemand langdurig medicatie nodig heeft.

In de tweede ronde benoemt klaagster dat het vreemd is dat de spiegel bereikt was maar er toch nog sprake was van agressie. Haar gedrag hangt dus niet samen met de medicatie.

Verweerder A geeft aan dat de medicatie niet kan voorkomen dat er agressie plaatsvindt, maar wel dempend werkt. Agressie komt onder invloed van medicatie veel minder voor bij klaagster en ook minder heftig. Ze benadrukt dat verdere informatie is opgevraagd om meer duidelijkheid te krijgen over de afgelopen jaren.

De voorzitter benoemt dat uit de stukken blijkt dat klaagster bijvoorbeeld brand heeft gesticht tijdens een eerdere opname in de P.I.. Klaagster beaamt dit. Ook geeft klaagster aan dat ze in 2023/24 in overleg met behandelaren is gestopt met Risperidon. Ze nam dit op vrijwillige basis in. Het ging toen slecht met klaagster vanwege een burn-out en een relatiebreuk. Klaagster voelde zich seksueel geïntimideerd en heeft aangifte gedaan. De politie wilde de aangifte echter niet opnemen, aldus klaagster. Daarna vloog zij uit de bocht, aldus klaagster.

De voorzitter sluit de hoorzitting onder toezegging dat partijen uiterlijk 22 december 2025 de gemotiveerde uitspraak tegemoet kunnen zien.

 

BEVINDINGEN VAN DE COMMISSIE

Ontvankelijkheid klacht en bevoegdheid commissie

Op grond van artikel 10.3 van de Wvggz kan een klacht worden ingediend bij de klachtencommissie over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van de in dat artikel opgenomen bepalingen. Aangezien de klacht is gericht tegen de uitvoering van de verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 8.9 Wvggz is de klacht ontvankelijk.

 

Gronden en overwegingen

Gelet op de ingebrachte stukken, de inhoud van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting komt de klachtcommissie tot de volgende overwegingen.

Artikel 8:9 Wvggz bepaalt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de (voortgezette) crisismaatregel en ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg niet neemt, dan nadat hij:

  1. zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,
  2. met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en
  3. voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur.

Allereerst en meer in het algemeen overweegt de commissie dat verplichte zorg bij psychiatrische patiënten een ernstige inbreuk is op hun persoonlijke levenssfeer en/of lichamelijke integriteit. Deze inbreuk dient dan ook met de nodige waarborgen omkleed te zijn. Daarom worden er zowel op juridisch als op medisch gebied eisen gesteld aan het mogen toepassen van verplichte zorg. Op juridisch gebied moet verplichte zorg voldoen aan de gronden van de Wvggz en aan vormvoorschriften als vastlegging van het zorgplan en het uitreiken van een voldoende gemotiveerde schriftelijke kennisgeving van de verplichte zorg.

Klaagster is een XX-jarige vrouw bekend met een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis, waarbij in de loop der tijd uiteenlopende diagnoses zijn gesteld, o.a.: DCD, ADHD, ASS, genderdysforie, een mogelijke schizofrene ontwikkeling (paranoïde van aard) en vermoedens op DIS. Psychiatrisch gezien is er sprake van een autismespectrumstoornis. Tijdens de opnames op de HIC XX (XX) en bij het PPC (2025) wordt er gesproken over verward en bijzonder gedrag. Er werden uiteenlopende wanen waargenomen, zoals overtuigingen dat ouders van beide seksen zouden zijn, dat water vergiftigd zou zijn, dat God haar straft en dat zij wordt achtervolgd. Psychotische overschrijdingen ontstaan mogelijk door overprikkeling vanuit de autismespectrumstoornis en/of door stress door traumatische triggers (afwijzing, treiteren, weerstand en onbegrip). Klaagster ontkent psychotisch ziek te zijn. Klaagster wil geen verplichte medicatie Olanzapine omdat zij last heeft van bijwerkingen, vooral vermoeidheid en afvlakking en bovendien is zij niet ziek. Klaagster stelt dat de rechter heeft uitgesproken dat ze slechts indien nodig antipsychotica verplicht moet krijgen. Verder heeft de psychiater haar maar 5 minuten gezien wat volgens klaagster te kort is om een verplichte antipsychotica voor te schrijven.

Verweerder geeft aan dat klaagster een delict geschiedenis heeft, met agressie naar derden (waarvoor ook veroordeling) en vernielingen. Ondanks haar verzet is ervoor gekozen om de medicatie waarop zij in het PPC is ingesteld te vervolgen, omdat verweerders risico’s zien in het stoppen van deze medicatie. Klaagster heeft in het PPC laten zien niet medicatietrouw te zijn geweest en vertoonde volgens de verkregen informatie vóór de start van het olanzapine-depot bizarre gedragingen, in combinatie met agitatie en agressie.

Het ernstig nadeel voor klaagster betreft psychotische ontregelingen waardoor risico op agressie voor derden en verdere maatschappelijke teloorgang door verwaarlozing. Klaagster is in maart 2025 voor het eerst in contact gekomen met de reclassering na strafbare feiten (vernielingen aan auto’s, zwartrijden, bedreiging conducteur, aanvallen politieagent, buurtoverlast, meerdere vernielingen en mishandeling van derden), waarna zij drie maanden gedetineerd raakte in de PI [XX].

De verplichte zorg is schriftelijk aangezegd, waarbij is aangegeven dat klaagster wilsonbekwaam is verklaard terzake. Uit de overgelegde stukken is voor de Commissie verder vast komen te staan dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis. De Commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op een medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. Ook de rechtbank is bij het afgeven van de zorgmachtiging van deze diagnose uitgegaan. De Commissie gaat daarom bij de verdere beoordeling uit van de vastgestelde psychische stoornis.

Inhoudelijk volgt de commissie verweerders. Het ernstig nadeel wordt door de verplichte medicatie  bestreden. De behandeling is proportioneel en veilig. Dit maakt dat haar klacht inhoudelijk ongegrond is.

 

Uitspraak

De klachtencommissie verklaart de klacht inzake verplichte medicatie ongegrond.

 

Beroep

Klager, vertegenwoordiger of de zorgaanbieder kan door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de Rechtbank Gelderland beroep instellen ter verkrijging van een beslissing over de klacht. De termijn voor het indienen van een verzoekschrift bedraagt zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de betrokkene is meegedeeld.

 

Aldus besloten,

namens de Wvggz klachtencommissie,

 

i/o

XX

Voorzitter Wvggz klachtencommissie Gelderland Midden en Zuid